Nederlandse geologen in Zuidoost Spanje deel 2 B
Brouwer en zijn leerlingen
Pagina onder constructie.
In de zomer van 1919 maakten een twaalftal studenten van de Mijnbouwhogeschool Delft een rondreis door Spanje onder leiding van de hoogleraren H.A. Brouwer en R.W. van der Veen. Deze laatste had eerder op verschillende plaatsen in dat land gewerkt als mijnbouwkundig ingenieur en daardoor lijkt het aannemelijk dat hij het gebied beter kende dan de meer op Nederlands Indië toegelegde Brouwer.
Er valt echter niet aan te twijfelen dat de Betische Cordilleren in Zuidoost Spanje Brouwer´s interesse wekten vanwege zijn kennis van de Alpen, en na de vroegtijdige dood van Van der Veen werd hij de promotor van 7 proefschriften verspreid over het gebied. De eerste 5 proefschriften onder zijn leiding vonden plaats aan de Technische hogeschool Delft en na Brouwer's verhuizing naar Amsterdam volgden er nog twee. Het uitbreken van de Spaanse burgeroorlog in 1936 betekende een abrupt einde aan de onderzoekingen.
Deze proefschriften beschreven de algemene geologie, stratigrafie, petrologie en tektoniek van voornamelijk metamorfe gesteenten en gingen gewoonlijk gepaard met de veldkartering van een groot gebied. De promovendi deden hun veldwerk met gebrekkige topografische kaarten in moeilijk toegankelijke onherbergzame gebieden. Mijnbouw, Kwartair geologie en geomorfologie speelden slechts een kleine ondergeschikte rol. De proefschriften telden tussen de 100 en 180 paginas en werden sober uitgegeven met bruine kaft in akademisch B5 formaat. Kaarten en profielen werden bijgevoegd als aparte uitvouwbare bijlagen in kleur.
Slechts één van de leerlingen van de excursie van 1919 promoveerde op Zuidoost Spanje namelijk Zeijlmans van Emmichoven; hij wordt dan ook genoemd in het voorwoord van de andere vier proefschriften tot 1929. De Delftse mijningenieur Engelbert van Bevervoorde was al die tijd werkzaam in Seron in de Sierra de los Filabres en hij wordt genoemd in de eerste twee Delftse en de laatste twee Amsterdamse proefschriften.
Brouwer
Hetzel
Zeijlmans van Emmichoven
Van Bemmelen
Westerveld
Zermatten
Banting.
Jansen
Patijn
Willem Paul De Roever.
In 1985, bij het 50 jarig bestaan van het geologisch instituut van de UVA, herdacht De Roever zijn verblijf in Spanje van 1936. waar hij toen veldwerk deed als 19 jarig student.
Daaruit de volgende citaten:
"Het onderzoek in Zuid-Spanje, waar toen soms, zoals in mijn gebied, nauwelijks iets als een topografische kaart van bestond, betrof zeer grote gebieden: meer dan 500 vierkante kilometer was de regel. Daar werd onder primitieve omstandigheden gewerkt, natuurlijk zonder eigen vervoer, zodat men heel wat af te lopen had. Ik herinner me als langste voettocht 55 kilometer. Behoorlijke waterleidingen waren er niet. Vele bronnen - uit kalksteenspleten - hadden een slechte naam. De lokale electriciteitscentrale in Lubrín werd met amandeldoppen gestookt, de enige brandstof die men had; iedere avond maar een paar uur wat we noemden een gloeiende spijker. Wandluizen en vlooien, chinches en pulgas konden je 's nachts bij honderden tegelijk overvallen, zoals in mijn hoofdkwartier met de wijdse naam "Hotel del Carmen" in Lubrín en zoals me voor het eerst gebeurde tijdens mijn eerste Spaanse veldnacht ergens in het gebied van Dolf Patijn. Voeg bij dat laatste een flinke buikloop, veroorzaakt door een ontbijt van rijst met saffraan en schelpen in de trein benoorden Madrid, en U begrijpt, het kon nog alleen maar beter gaan de volgende dagen."
"Het veldwerk in Zuid-Spanje in 1936 werd na 2 maanden verstoord door het uitbreken van de Spaanse revolutie. Patijn en Jansen hadden toen hun laatste veldwerkcontrole al achter de rug en konden gewoon promoveren, maar voor Tappenbeck en mij was dat anders.
Van Tappenbeck's belevenissen weet ik weinig, behalve dat hij enige weken gevangen heeft gezeten aan de witte zijde, later zijn grote politieke sympathie."
De Roever vervolgt zijn relaas over hoe hij in de eerste chaotische weken van de burgeroorlog Almería kon ontvluchten.
Hoewel hij later in 1940 op een tema in Nederlands Indië promoveerde, (Geological investigations in the southwestern Moetis region, (Netherlands Timor), waren De Roever's herinneringen aan de geologie van Lubrin en Zuid-Spanje doorslaggevend om daar wederom vanaf 1958 nieuw geologisch onderzoek te gaan doen. Daarbij heeft hij het over "Brouwers oude liefde" voor het gebied. Maar tot die tijd hadden Brouwer en het Geologisch Instituut blijkbaar niet overwogen om er terug te keren, hetgeen mij doet afvragen in hoeverre Brouwer echt geïnteresseerd was in Spanje. Voor meer over het leven en baanbrekend werk van De Roever. lees de obituary geschreven door Frank Beunk.
Dieter Tappenbeck.
Uit het relaas van De Roever en de geschiedenis van het Geologisch Instituut, volgt dat Tappenbeck in Zuid-Spanje met zijn veldwerk bezig was toen de burgeroorlog uitbrak. Hij zou aan de nationalistische kant gevangen hebben gezeten; hetgeen dan in Andalusië in 1936 ergens in de buurt van Granada of verder richting Cadiz zou moeten zijn geweest. In Brouwer (1934) vinden we concrete aanwijzingen voor de plaats waar hij veldwerk deed, namelijk in de westelijke Sierra Nevada in de buurt van continentaal Spanje's hoogste bergtop Mulhacen.
Tappenbeck is later in 1939 gepromoveerd met het proefschrift: Geologie des Mollogebirges und einiger benachbarter Gebiete, (Niederländisch Timor).
Tappenbeck is vooral bekend geworden door zijn sympathieën voor het Nationaal-Socialisme. Eerst werd hij een prominent NSB'er en later trad hij toe tot tot de Waffen SS. Daarbij zou hij als verslaggever en soldaat enthousiast hebben meegevochten aan het oostfront. Met onze huidige kennis van de geschiedenis kunnen we ons afvragen wat Dieter Tappenbeck bezielde om zo'n reeks van foute beslissingen te nemen. De vele overlijdingsberichten in 1941-42 geven ons echter een indruk. Ik denk dat de aantrekkingskracht van het nazisme destijds niet lag in een voorzienbare toekomst van volkerenmoord en verwoestende oorlogen, maar in het voorwendsel van de strijd tegen het bolsjewisme en een soort vaag mystiek organisch gevoel van broederschap der westerse volken. Het superioriteitsgevoel van de "westerse beschaving" was tenslotte, en naar ik vrees is, gemeengoed. Geen enkel ideologisch vernis kan echter haat, geweld en brutaliteit goedpraten en die moeten vanaf het begin van het nazisme met alle jodenhaat en militarisme overduidelijk zijn geweest voor iedereen. Er gaan verschillende verhalen rond over zijn tragische dood in 1941; misschien nadat hij zich zijn vergissingen had gerealiseerd.
De waanzin van de Spaanse burgeroorlog maakte een abrupt einde aan de veelbelovende onderzoekingen van Tappenbeck in Zuid-Spanje en 5 jaar later maakte de waanzin van de tweede wereldoorlog een abrupt einde aan zijn leven.

_resize.png)
Comments
Post a Comment